In het KIJK-interview over mijn onderzoek naar vroegmoderne tatoeages staat een uitspraak uitgelicht waarin ouders hun kinderen lieten tatoeëren. Over deze opmerking kreeg ik de meeste vragen: hoe zat dit precies, want het kon toch niet waar zijn? Ouders lieten toch niet hun eigen kroos verminken? Daarom geef ik hier twee verschillende voorbeelden die deze praktijk in context plaatsen.
Reisverhalen vormden in de zeventiende en achttiende eeuw een bijzonder populair genre. Lezers waren gefascineerd door beschrijvingen van verre gebieden en onbekende bevolkingsgroepen; dergelijke teksten boden een venster op werelden buiten het eigen dorp, de stad of de Republiek. Ze voorzagen in een groeiende nieuwsgierigheid naar hoe ‘anderen’ (samen)leefden en hun cultuur vormgaven. Daar hoorden ook aspecten bij zoals lichaamsversieringen, waaronder tatoeages. Deze bronnen moeten met de nodige voorzichtigheid worden benaderd. Reisverslagen hadden niet alleen een informatieve, maar ook een uitgesproken vermakelijke functie. Auteurs schreven voor een publiek dat verlangde naar het exotische en het afwijkende, waardoor beschrijvingen regelmatig werden aangedikt, gestileerd of selectief gepresenteerd. Dit sluit aan bij het bredere concept van The Other, een analytisch kader dat in de geesteswetenschappen wordt gebruikt om te begrijpen hoe groepen zichzelf definiëren in tegenstelling tot anderen. In vroegmoderne reisverhalen wordt ‘de Ander’ vaak geconstrueerd als fundamenteel verschillend — lichamelijk, cultureel en moreel. Dergelijke representaties dienden impliciet om de eigen normen te bevestigen en te versterken: door het ‘vreemde’ te benadrukken, werd het ‘eigene’ genaturaliseerd. Tegelijkertijd is het belangrijk te onderkennen dat deze beschrijvingen niet louter fictief waren, maar gebaseerd op waarnemingen die door culturele vooronderstellingen werden gefilterd. Het resultaat is een hybride type bron: deels etnografisch, deels literair, en altijd ingebed in machtsverhoudingen en perspectieven van de auteur.
Het eerste voorbeeld waarin tatoeages bij kinderen voorkomen, is dat van sociaaleconomische nood in Europa zelf. In de achttiende eeuw kende het Tiroler berggebied periodes van zware armoede, mede veroorzaakt door seizoensgebonden werkloosheid en beperkte agrarische opbrengsten. Gezinnen zagen zich genoodzaakt hun kinderen op zeer jonge leeftijd (‘klein of jong’) uit te sturen om elders werk te zoeken, bijvoorbeeld als dienstknecht, ambachtsleerling of seizoenarbeider. In deze context functioneerden tatoeages niet primair als esthetische of culturele expressie, maar als een praktisch identificatiemiddel. Lichamelijke markeringen konden helpen om familiebanden te reconstrueren wanneer kinderen over grote afstanden migreerden en het risico liepen uit het zicht van hun ouders te verdwijnen.
In zijn Nieuwe reizen door Duitschland, Bohemen, Hongarye, Zwitserland, Italien en Lotharingen (1753) beschreef Johann Georg Keysler:
‘[de ouders] steken hun [Kinderen] met een naald of spitspuntig mes, vele Prikken, welke een Figuur uitmaken in den arm, en wryven een zekere zoort van zwarten Inkt in de geopende wonden. Deze zwarte Kentekenen behouden zo hun gansche leven, en veelmaals word de Bloed-verwantschap nog vele Jaren daar na hier aan gekent’.[1]
In het tweede voorbeeld, de verhalenbundel Bloemenkorf van buitenlandsch vernuft (1825) van P.G. Witsen Gijsbeek, fungeert een dergelijke tatoeage daadwerkelijk als een doorslaggevend herkenningsteken tussen twee zeemannen. De hereniging tussen broers wordt mogelijk gemaakt doordat een van hen een lichamelijk merkteken herkent: ‘zulk een teken als ik van een kind af op dezelfde plaats draag‘.[2]
Bloemenkorf van buitenlandsch vernuft was een tijdschrift waarin verhalen werden opgenomen die uit het Engels, Frans of Duits waren vertaald. De precieze herkomst van het betreffende verhaal (‘De Eerste October’, pp. 23–42) is vooralsnog onduidelijk. Op basis van de namen van de personages ligt een Engelse oorsprong echter voor de hand. Mocht iemand het oorspronkelijke verhaal herkennen, dan houd ik mij van harte aanbevolen voor verdere informatie.
Het verhaal ontvouwt zich als een klassiek maritiem reddingsdrama met een sentimentele ontknoping. Op een stormachtige avond hoort kapitein Seefeld in een herberg dat er een schip in nood verkeert. Gedreven door de angst dat zijn eigen zoon zich aan boord bevindt, besluit hij samen met zes mannen de orkaan te trotseren. De reddingspoging lijkt aanvankelijk vergeefs, maar bij terugkeer ontdekt de jonge matroos Willem dat aan een touw, dat aan zijn riem vastzat, een drenkeling hangt. Eenmaal aan wal wordt de man bijgebracht. Hoewel hij eenvoudige zeemanskleren draagt, verraadt de fijne kwaliteit dat hij van hogere rang moet zijn. Het enige duidelijke identificatiemiddel is een tatoeage: ‘op den regter arm een anker en de letters E W zwart in de huid geprikt’ (p. 28).
Het verhaal krijgt een extra mysterieuze lading door een eerder uitgesproken voorspelling. Jaren daarvoor, tijdens een verblijf in India, was kapitein Seefeld door een waarzegger gewaarschuwd voor de datum 1 oktober: die dag zou hem driemaal in groot gevaar brengen. Na eerdere schipbreuken in 1782 en 1802 — beide rond tien uur ’s avonds — lijkt de voorspelling zich opnieuw te voltrekken. Juist op het moment dat hij zijn zoon uit Londen terugverwacht, slaat het noodlot opnieuw toe. Deze dreiging vormt de emotionele achtergrond van zijn reddingsactie.
Wanneer het gezelschap zich later bij de geredde drenkeling voegt, blijkt deze Watts een luitenant te zijn en bovendien een goede vriend van de zoon van kapitein Seefeld. Watts was weliswaar overboord geslagen, maar al snel volgde het geruststellende bericht dat zijn schip, met Seefeld jr. aan boord, veilig in de haven lag.
De jonge matroos Willem, die de luitenant bij toeval uit zee had gevist, bracht vervolgens diens droge kleren naar hem toe. Daarbij sprak hij de jonge zeeofficier aan op de tatoeage die hij op de arm had gezien:
“Met permissie , Heer Luitenant ! dat ik u eene vraag doe. Aan mijn’ riem zat immers het touw, waaraan wij u ophaalden: neem het mij dus niet kwalijk.” –
“Spreek , mijn jongen!” was het antwoord; “hoe kan ik in alle geval mijn’ redder eene vraag onbeantwoord laten ?”. –
“Nu zie, Luitenant! toen wij u uit het water ophaalden en aan boord bragten, kwam het mij aanstonds voor alsof ik u genegen moest zijn: het kan wel zijn omdat juist ik het touw opgevischt had, maar… ”
“Verder!” riep Watts , opmerkzamer.
„Nu , toen gij straks een ander hemd aandeed, zag ik op uw regter arm even zulk een teeken als ik van een kind af op dezelfde plaats draag.”
Dit zeggende, stroopte Willem zijne mouw op, en toonde een anker met de letters W W in de huid geprikt.
De degen viel den Luitenant uit de hand.
“Van waar zijt gij?” –
“Een arme visscher bij Dantzig heeft mij als een vierjarige knaap, dien hij uit het water reddede, aangenomen , en toen hij kort daarop stierf, nam zijn broeder mij tot zich. Van waar ik ben weet ik mij niet meer te herinneren, ondertusschen staat het menigmaal mij nog flaauw voor dat ik met mijn’ vader op een groot schip omtrent als dit ….
Hevig drukte de Luitenant hem aan zijn hart. “Gij zijt mijn broeder William, om wien te zoeken ik hier kwam , en ik ben uw broeder Eduard, dien gij naar Gods wijze raadsbesluiten redden moest. Ó! Wij gelukkigen! Maar nu schielijk naar Seefeld, opdat ik hem nu mijn geluk kan mededeelen. Heden is het een dag van blijdschap.” Snel gingen zij voort.
Men kan zich licht de algemene blijdschap voorstellen. Bij den vrolijken middagmaaltijd dien de Luitenant aanrigten liet, vernamen de anderen dat Watts gestorven vader voor twintig jaren in Dantzig zijn vierjarigen jongsten zoon verloren had, zonder ooit weder iets van hem te kunnen vernemen. De andere zoon had in zijn vaders papieren nog de mogelijkheid geloofd te vinden om zijn broeder op te sporen, en hoe dit gelukt was weten wij. Seefeld en zijn zoon verwisselden hier van schepen… Twee dagen daarna ging de jonge Seefeld met de beide verheugde broeders en de andere drie schepen bij gunstigen wind in zee, en met de afscheidsgroeten hunner kanonnen eindigt ook dit verhaal.
Wat begon als een terloopse opmerking, groeide uit tot een herkenningsmoment van grote emotionele intensiteit. Willem bleek een identiek merkteken te dragen: een anker met zijn initialen. In de daaropvolgende dialoog wordt duidelijk dat Willem als kind uit zee is gered en sindsdien zijn afkomst niet meer kent. Voor luitenant Watts is dit voldoende om de conclusie te trekken: Willem is zijn lang verloren broer. Hun vader had beide zoons als voorzorgsmaatregel laten tatoeëren: een anker en hun initialen. Dankzij deze tekens wordt Willem geïdentificeerd als de jongste zoon, waardoor de broers elkaar na twee decennia eindelijk weer in de armen kunnen sluiten.
De hereniging van de broers vormt het emotionele hoogtepunt van het verhaal. Wat begint als een dramatische redding, eindigt in een scène van familiale herkenning en vreugde. Tegelijkertijd onderstreept deze vertelling een belangrijk historisch punt: tatoeages functioneerden in de vroegmoderne periode niet uitsluitend als decoratieve lichaamsversiering, maar konden een concrete, praktische rol vervullen. In een tijd zonder fotografie en nauwelijks officiële identiteitsbewijzen boden permanente lichaamsmerken een relatief betrouwbare manier om iemands identiteit vast te leggen — vooral in de context van toegenomen (onzekere) mobiliteit, en in het tragische geval dat de drager daar zelf niet meer toe in staat was.
Noten:
[1] Johann Georg Keysler, Nieuwe reizen door Duitschland, Bohemen, Hongarye, Zwitserland, Italien en Lotharingen (Amsterdam, 1753), p. 44-45.
[2] P.G. Witsen Gijsbeek, Bloemenkorf van buitenlandsch vernuft (Amsterdam 1825), p. 28, 41.
Meer weten over tatoeages in de vroegmoderne periode in de Nederlandse Republiek? Lees mijn artikel Prikschilderen.
Image: Caspar Luyken, Embleem: bergen (c. 1700). Rijksmuseum Amsterdam: RP-P-1896-A-19368-1805